Een lid van de raad, een wethouder of de burgemeester, die door
de gemeenteraad is aangewezen tot lid van het algemeen bestuur
van een openbaar lichaam of van een ander gemeenschappelijk
orgaan, ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, heeft de plicht
in de vergadering verslag te doen over zaken die in het algemeen
bestuur als bedoeld aan de orde zijn. Door de raad gewenste
bespreking van dit verslag kan de voorzitter verwijzen naar de
desbetreffende commissie.
Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het
eerste lid, schriftelijke vragen stellen. De regels voor het
stellen van schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 37 van
deze verordening, zijn van overeenkomstige toepassing.
Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het
eerste lid ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze
van functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan
daarvan. De regels voor het vragen van inlichtingen, vastgesteld
in artikel 39 van deze verordening, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere
organisaties of instituties, waarin de raad één van zijn leden
heeft benoemd.
Hoofdstuk 6
Artikel 42
Verslag en verantwoording
Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad