**1.** Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 6.1 lid 1 vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien de beperkingen
a. het gebruik van het openbaar vervoer of
b. het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.
**2.** Een persoon met beperkingen kan voor een vervoersvoorziening onder artikel 6.1 lid 2 a tot en met e en lid 3 vermeld in aanmerking komen wanneer:
a. aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maken, dan wel
b. een collectief systeem niet aanwezig is.
**3.** Voor de bij artikel 6.1, lid 2 onder c en f en artikel 6.1 lid 3 onder a en b genoemde voorzieningen geldt dat zij ook in aanvulling op het gebruik van een collectief vervoersysteem verstrekt kunnen worden.
**4.** Voor de bij artikel 6.1 lid 3 onder a en b genoemde voorzieningen geldt dat zij ook in aanvulling op een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto of gebruik van een taxi of rolstoeltaxi verstrekt kunnen worden.
**5.** Voor een tegemoetkoming in het gebruik van een ander vervoermiddel voor verplaatsingen buitenshuis geldt dat deze ook in aanvulling op het gebruik van een taxi of rolstoeltaxi verstrekt kan worden.
**6.** Voor zover de behoeften van echtgenoten of samenwonende gezinsleden niet samenvallen, wordt niet meer dan 1,5 keer een enkele vergoeding toegekend. Bij verschillende vergoedingen wordt per persoon met beperkingen maximaal 75 % van de vergoeding toegekend.
**7.** Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag. Een uitzondering kan worden gemaakt in de situatie dat er sprake is van een bovenregionaal contact dat uitsluitend door de persoon met beperkingen zelf bezocht kan worden, en het bezoek noodzakelijk is voor de persoon met beperkingen om vereenzaming te voorkomen.