Onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening wordt de maatregel vastgesteld op:
5% van de grondslag bij gedragingen van de eerste categorie;
10% van de grondslag bij gedragingen van de tweede categorie;
20% van de grondslag bij gedragingen van de derde categorie;
100 % van de grondslag bij gedragingen van de vierde categorie.
De maatregel voor de gedragingen als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van deze verordening wordt ten hoogste vastgesteld op het bedrag dat de belanghebbende uit of in verband met arbeid zou hebben kunnen verwerven, indien hij de algemeen geaccepteerde arbeid had aanvaardt of behouden, dan wel indien de dienstbetrekking niet was beëindigd.
Hoofdstuk 2.
Artikel 11.
De hoogte van de maatregel
Onderdeel van Maatregelenverordening IOAW en IOAZ