Bij sneeuwval of gladheid is de hoofdbewoner of hoofdgebruiker of bij het ontbreken van deze, de eigenaar van een gebouw, tuin of erf verplicht:
de sneeuw en/of het ijs op te ruimen van het voetpad behorende bij de weg, gelegen voor of langs het gebouw, de tuin of het erf en/of dat voetpad op voldoende wijze met zand, as, turfmolm, zaagsel, of andere voor bestrijding van gladheid geschikte stoffen te bestrooien;
te zorgen dat de sneeuw en het ijs bij het opruimen wordt gebracht naar de uiterste rand van het voetpad, zodanig dat voor het voetgangersverkeer en bij autobushalten voldoende ruimte open blijft, terwijl voldoende openingen aanwezig moeten zijn voor het afvloeien van dooiwater en de brand- en rioolputten vrij moeten worden gehouden.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 6
Artikel 2.23a
Sneeuwruimen I
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening 2012