Naar hoofdinhoud

Afdeling II.

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Parkeerverordening 2011

1. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen. 2. Het college kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een vergunning. 3. Een vergunning kan worden verleend aan: a. een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie I); b. een eigenaar of houder van een motorvoertuig die permanent of met aangetoonde regelmaat een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren (categorie II); c. een eigenaar of houder van een motorvoertuig die werkzaam is in het centrumgebied en aantoont dat het in verband met deze werkzaamheden van belang is om op redelijke loopafstand van de locatie waar hij de werkzaamheden verricht een motorvoertuig te parkeren (categorie III) d. een eigenaar of houder van een motorvoertuig (bedrijf/organisatie) die in het kader van zijn beroep- of bedrijfsuitoefening tijdelijk werkzaamheden uitoefent op een locatie gelegen binnen de parkeerverbodszone en aantoont dat het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren (categorie IV) e. een eigenaar of houder van een motorvoertuig (particulier) voor wie het, in verband met dringende omstandigheden of werkzaamheden van tijdelijke aard op een locatie gelegen binnen de parkeerverbodszone,noodzakelijk is om in dat gebied een motorvoertuig te parkeren (categorie V) f. een eigenaar of houder van een motorvoertuig bestemd voor autodate, waarvan de autodateplaats is gelegen in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie VI). 4. Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de in het derde lid genoemde vereisten. 5. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, een maximum aantal uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied en per categorie vaststellen. 6. Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Aan een vergunning voor categorie V kan het college voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik.

Rechtspraak bij dit artikel