Naar hoofdinhoud
1. De leden van de raadscommissies die bestaan tot het moment van inwerkingtreding van deze verordening worden geacht te zijn benoemd als leden van de nieuwe raadscommissies tot dat de raadsfracties de definitieve samenstelling van de nieuwe commissies rond hebben. 2. De leden van de commissies Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting en Openbare Werken en Milieu worden geacht benoemd te zijn in de commissie Ruimte. De leden van de commissies Welzijn en Algemene Beleidszaken en Financiën worden geacht benoemd te zijn in de commissie Samenleving. 3. Voor de voorzitters en plaatsvervangend voorzitters geldt een overeenkomstige regeling.

Rechtspraak bij dit artikel