1.Voor, tijdens en na afloop van de realisatie van een door de gemeente gesubsidieerde activiteit of
voorziening kunnen burgemeester en wethouders, de door hen aangewezen ambtenaren of een
door hen aan te wijzen accountant bij de organisatie of ter plaatse van de activiteit of de
voorziening een fysieke controle instellen.
Van deze fysieke controle wordt een verslag opgemaakt.
Een kopie van het verslag wordt aan de organisatie toegezonden.