De ruimtelijke leegstand kan door het bevoegd gezag worden verhuurd aan een kinderopvangorganisatie, met toestemming door het college, zonder dat de capaciteit van het schoolgebouw wordt aangepast. Het blijft een onderwijslokaal, waarbij de gemeente het vorderingsrecht blijft behouden. De huur wordt voor een bepaalde periode afgesproken, maar kan tussentijds worden beëindigd met gebruikmaking van het economisch claimrecht van de gemeente of groei van leerlingenaantallen.
Ingeval van ruimtelijke leegstand kan de gemeente in overleg met het bevoegd gezag het gebouwdeel uit de capaciteit van het schoolgebouw halen en hiervoor een verklaring opnemen in de gemeentelijke huisvestingsadministratie. Vervolgens kan het bevoegd gezag, met toestemming van het college, het gebouwdeel verhuren voor een gegarandeerde periode van drie jaar aan een kinderopvangorganisatie. Verlenging van deze periode is telkens mogelijk, met een maximale periode van drie jaar, met toestemming van het college.
De gemeente kan bij ruimtelijke leegstand in overleg met het bevoegd gezag het leegstaande gebouwdeel aan de onderwijsbestemming onttrekken. De gemeente en het bevoegd gezag moeten dan een akte ondertekenen op grond van artikel 110 WPO. Vervolgens kan de gemeente het gebouwdeel verhuren aan de kinderopvangorganisatie. Deze verhuur is voor een periode van vijf jaar. Verlenging van deze periode is telkens mogelijk, na overleg met het schoolbestuur, met een periode van maximaal vijf jaar. De kinderopvangorganisatie betaalt een exploitatievergoeding aan het bevoegd gezag.
Hoofdstuk 3
Artikel 10
Varianten periode huurovereenkomst met een kinderopvangorganisatie
Onderdeel van Beleidsregel medegebruik en verhuur huisvesting basisonderwijs aan kinderopvang en andere organisaties 2012