De burgemeester kan de vergunning intrekken:
indien blijkt dat de vergunning ten gevolge van een
onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
indien de omstandigheden of inzichten op grond
waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn
gewijzigd, dat een situatie is ontstaan als bedoeld
in artikel 8, onder 2;
indien gehandeld wordt in strijd met aan de
vergunning verbonden voorschriften en
beperkingen;
indien de exploitatie van een speelautomatenhal voor
een periode van langer dan zesentwintig weken wordt
onderbroken.
Intrekking van de vergunning geschiedt niet, spoedeisende
gevallen uitgezonderd, voordat de vergunninghouder bij
aangetekende brief van het voornemen daartoe in kennis is
gesteld. Daarbij wordt hem medegedeeld, dat hij in de
gelegenheid wordt gesteld in persoon of bij gemachtigde door
de burgemeester te worden gehoord.
Hoofdstuk
Artikel 11
Intrekkingsgronden
Onderdeel van Verordening speelautomatenhallen Amersfoort 2012