1.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten
een inrichting in de
zin van de Wet milieubeheer , in de openlucht en buiten de weg
gelegen in het belang
van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
opheffing van overlast
dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de
volgende
voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te
hebben:
a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer-
of
vaartuigen of onderdelen daarvan;
bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:40 of onderdelen
daarvan, indien het
plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of
verhuur of
anderszins voor een commercieel doel;
d.mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een
verzameling
ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten,
afbraakmaterialen
en oude metalen.
2.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een
bepaald voorwerp of
bepaalde stof:op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.
3.Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en
tweede lid nadere regels
stellen.
4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
geregelde onderwerp
wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale
Verordening.
HOOFDSTUK 4. › AFDELING 4.
Artikel 4:36
Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2011 versie 2