Het
uitsluitend recht tot het doen begraven of tot het doen bijzetten in een
bepaald graf wordt slechts verleend voor de in artikel 12, lid 4, onder
a en c vermelde graven.
Het in lid 1 genoemde recht wordt door burgemeester en
wethouders verleend voor:
familiegraven voor de tijd van 30 jaar;
urnengraven voor de tijd van 20 jaar;
met dien verstande, dat het recht niet langer wordt verleend dan tot het
tijdstip, waarop de begraafplaats of een gedeelte daarvan, gesloten is
verklaard.
De in lid 2 genoemde tijdvakken kunnen door burgemeester en
wethouders worden verlengd met telkens een periode van 10 jaren,
indien daartoe door de rechthebbende in de twee jaren,
voorafgaande aan de datum van afloop van de termijn een verzoek
wordt gedaan.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in bijzondere gevallen
te hunner beoordeling, de verlenging toe te staan, indien het
verzoek daartoe niet binnen de daarvoor gestelde termijn is
gedaan. In dit geval wordt de verlenging geacht te zijn verleend
en te zijn ingegaan met ingang van de dag volgende op die,
waarop het recht verviel.
Hoofdstuk
Artikel 17
Artikel 17
Onderdeel van Verordening op het gebruik en beheer van de algemene begraafplaats