Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 23

Artikel 23

Onderdeel van Verordening op het gebruik en beheer van de algemene begraafplaats

1.. De vergunning, bedoeld in artikel 22, 1e lid, wordt verleend: voor wat de familiegraven betreft, voor de tijd, gedurende welke het recht op het graf bestaat; voor wat de algemene graven betreft, niet zijnde kindergraven, voor de duur van tien jaar; deze termijn kan éénmaal op schriftelijk verzoek van de houder van de vergunning voor de tijd van ten hoogste tien achtereenvolgende jaren worden verlengd. voor wat de algemene graven betreft, zijnde kindergraven, voor de duur van tien; deze termijn kan driemaal op schriftelijk verzoek van de houder van de vergunning voor de tijd van telkens tien achtereenvolgende jaren worden verlengd. 2.. Wanneer ten behoeve van de gemeente van het recht tot het uitsluitend begraven in een grafruimte afstand wordt gedaan of geacht wordt te zijn gedaan, alsmede bij het vervallen van zodanig recht, vervalt het van rechtswege een ingevolge dit artikel voor de desbetreffende grafruimte verleende vergunning. 3.. Bij overboeking van het recht tot het uitsluitend begraven in een grafruimte ten name van een andere rechthebbende, wordt een vergunning als bedoeld in lid 1, geacht van de datum van overboeking af te zijn verleend aan de nieuwe rechthebbende, die van het tijdstip af aansprakelijk is voor de nakoming van de uit de vergunning voortvloeiende verplichtingen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel