Een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden geweigerd
indien:
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond, tenzij
een wijziging van leefsituatie een verhuizing dringend
noodzakelijk maakte en hiervoor schriftelijk toestemming is
verleend door het college;
de belanghebbende niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend
door het college;
indien reeds een huurcontract of voorlopig koopcontract is
getekend voorafgaand aan de datum waarop beschikt is op de
aanvraag, tenzij het college hiervoor schriftelijk toestemming
heeft verleend;
deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en
extra trapleuningen;
de belanghebbende verhuist op een moment dat de verhuizing voor
de belanghebbende als voorspelbaar, voorzienbaar en/of zelfs
zonder de beperking als algemeen gebruikelijk wordt
beschouwd;
de belanghebbende voor het eerst zelfstandig gaat wonen,
verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is
het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een
AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het
verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen
problemen met het normale gebruik van de woning zijn
ondervonden;
de ondervonden beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de
woning gebruikte materialen of het gevolg zijn van achterstallig
onderhoud.
Hoofdstuk 4
Artikel 20
Weigeringsgronden
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Nieuwe Waterweg Noord 2012