Artikel 30 Wwb, eerste lid, schrijft voor dat in de verordening moet zijn vastgelegd voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd. De in dit artikel genoemde categorieën zijn rechtstreeks terug te voeren op de wet. Op grond van de verordening kunnen alleen verhogingen en verlagingen worden vastgelegd voor de leeftijdscategorie van 21 jaar tot 65 jaar.
Dit betekent, dat de verordening uitsluitend van toepassing is op de normen op grond van artikel 20 eerste lid, onder b, en tweede lid, onder b, alsmede artikel 21, eerste lid, van de Wwb.
De in het derde lid opgenomen verplichting voor het college om -zo nodig in afwijking van de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende hoogte van de bijstand- de bijstand anders vast stellen, als dat gelet op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van belanghebbende opportuun is, volgt uit artikel 30, vierde lid Wwb. De individualiseringsplicht geldt evenzeer in situaties waarin de Toeslagenverordening niet voorziet. Om hierover bij de uitvoering van de Toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan, is er voor gekozen om deze plicht expliciet in de Toeslagenverordening op te nemen.