De accountant bepaalt binnen het kader van de opdrachtverlening de
wijze waarop de accountantscontrole wordt ingericht, alsmede de aard
en de omvang van de daarbij behorende werkzaamheden.
De accountant bepaalt binnen het kader van de opdrachtverlening de
frequentie van de uit te voeren controles. De accountant kan de
controlewerkzaamheden zonder voorafgaande kennisgeving
uitvoeren.
Ter bevordering van een doelmatige en doeltreffende
accountantscontrole vindt, indien gewenst, afstemming plaats tussen
de accountant en een vertegenwoordiging uit de raad, een
vertegenwoordiger van de rekenkamer (functie) en het college.
Artikel 4.
Inrichting accountantscontrole
Onderdeel van Controleverordening gemeente Bunschoten 2012