In deze verordening wordt verstaan onder:
a.vaartuig:
ieder varend of drijvend voorwerp, dat wordt gebruikt of is bestemd voor vervoer te
water van personen of goederen, daaronder begrepen drijvende werktuigen, zoals
baggerwerktuigen, kranen, bokken, elevators, alsmede woonboten, glijboten en ponten;
b.schipper:
ieder, die aan boord van enig vaartuig voortdurend of tijdelijk het gezag voert, of -in
het geval noch de gezagvoerder noch diens plaatsvervanger aanwezig is- de eigenaar of
degene die de beschikking heeft over het vaartuig;
c.havenmeester :
de als zodanig door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar, of diens
vervanger.