Ter uitvoering en handhaving van deze verordening zijn de in artikel 36 bedoelde personen
bevoegd zich, ook tegen de wil van de schipper, te allen tijde aan boord van vaartuigen te
begeven.
Aan hen wordt de last verstrekt zo dikwijls als de zorg voor de nakoming van deze
verordening dat vereist de tot woning ingerichte gedeelten van vaartuigen, zelfs tegen de wil
van de bewoners, te betreden, zulks met inachtneming van de bepalingen van de wet van 31
augustus 1853, Stbl. 83.