In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a markt: de warenmarkt die plaatsvindt op de, bij of krachtens artikel 2 van de Marktverordening vastgestelde dag, tijd en plaats;
b marktterrein: de gehele openbare of voor publiek toegankelijke oppervlakte grond die bij of krachtens artikel 2 van de Marktverordening is aangewezen voor de uitoefening van markthandel;
c marktmeester: de persoon, die als zodanig is aangewezen door het college;
d kwartaal: kalenderkwartaal
e maand: kalendermaand;
f week: periode van zeven achtereenvolgende dagen beginnende met de maandag;
g dag: de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag wordt aangemerkt;
h standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt op het markterrein is aangewezen door het college voor het uitoefenen van de markthandel;
i standplaatshouder: ieder aan wie door het college is toegestaan om gedurende een markt een standplaats te bezetten;
j dagplaats: een standplaats die per marktdag beschikbaar wordt gesteld aan een standplaatshouder, omdat een dergelijke plaats niet als vaste plaats is toegewezen dan wel ingenomen;
k vaste plaats: een standplaats die op een markt voor onbepaalde tijd ter beschikking wordt gesteld aan de vergunninghouder;
l een vaste plaats met hoek: een vaste plaats die aan twee zijden aan een voor het publiek geprojecteerde gang is gelegen;
m vergunninghouder: degene aan wie vergunning is verleend tot het innemen van een vaste plaats op het marktterrein;
n promotiegeld:het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor promotionele activiteiten.
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van marktgeld 2012