1 De aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de
eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende
termijnen telkens een maand later.
2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt dat, ingeval
machtiging is verleend tot automatische incasso en het totaalbedrag van de
op één aanslagbiljet verenigde aanslagen gemeentelijke fiscale heffingen, of
als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer dan €
100,-- doch niet meer dan € 2.500,-- bedraagt, de aanslagen moeten worden
betaald in 3 gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op of
omstreeks de vijfentwintigste dag van de maand volgende op de maand die in
de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende
termijnen telkens een maand later.
3 De in het tweede lid bedoelde machtiging tot automatische incasso wordt
geacht niet te zijn verleend indien twee van de drie termijnen niet zijn
betaald doordat automatische incasso van de betaalrekening van de
belastingschuldige niet mogelijk blijkt dan wel binnen één maand na
afschrijving zijn gestorneerd. Alsdan gelden de betaaltermijnen als bedoeld
in het eerste lid.
4 Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van
de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking
inzake een bestuurlijke boete zijn lid 1, 2 en 3 van overeenkomstige
toepassing, voorzover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling
van de aanslag.
5 De Algemene Termijnwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden
gestelde
termijnen.
Artikel 7
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van een forensenbelasting 2012