Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a de wet: de Wet op de kansspelen;
b Speelautomatenbesluit: KB van 1 december 1997 Stb. 617;
c speelautomaat: een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat
bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of
elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of
onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht
om gratis verder te spelen;
d behendigheidsautomaat: een speelautomaat waarvan:
1 het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of
het recht op gratis spellen, en
2 het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de speler kan worden
beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid
bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate
de speelduur verlengd of het recht op gratis spellen verkregen wordt;
e kansspelautomaat: een speelautomaat die geen behendigheidsautomaat
is;
f Speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te
geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in
artikel 30 c, eerste lid, onder c, van de wet;
g ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die de speelautomatenhal
exploiteert;
h beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke
leiding in de speelautomatenhal is belast;
i openbare weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande
wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de
tot die wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede
kampeerplaatsen en de aan de wegen of paden liggende en als zodanig
aangeduide parkeerterreinen.