Op het persoonsgebonden budget, zoals genoemd in artikelen 6 lid 1 en 6a van de wet, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
een persoonsgebonden budget wordt alleen verstekt ten aanzien van individuele voorzieningen;
de omvang van het persoonsgebonden budget wordt gebaseerd op de kosten die het college zou maken indien in de betreffende situatie een voorziening in natura zou worden verstrekt;;
het persoonsgebonden budget wordt , indien noodzakelijk, aangevuld met een vergoeding voor aanvullende kosten, zoals vastgesteld in het Besluit;
de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het Besluit;
De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de omvang en de looptijd van het te verstrekken persoonsgebonden budget worden in de beschikking opgenomen.
Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt waarin aangegeven is aan welke vereisten de voorziening moet voldoen waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt.
De beschikking vermeldt op welke wijze het persoonsgebonden budget wordt uitbetaald.
Het college kan controleren of het verstrekte persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is, volgens de voorschriften zoals door het college in het Besluit opgenomen.
Het college is bevoegd het persoonsgebonden budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen indien het persoonsgebonden budget niet besteed is aan het doel waarvoor het persoonsgebonden budget verstrekt is.
Indien een belanghebbende met een persoonsgebonden budget een voorziening in eigendom heeft verworven, en hij de voorziening binnen de afschrijvingstermijn van de voorziening, zoals door het college vastgesteld in het Besluit, niet meer gebruikt, omdat deze niet meer adequaat is, wordt de waarde van de desbetreffende voorziening verrekend met een eventueel nieuw toe te kennen persoonsgebonden budget. De waarde van de voorziening is gebaseerd op de door het college in het Besluit vastgestelde afschrijvingssystematiek.
Verrekening zoals bedoeld in lid 7 vindt niet plaats, indien de belanghebbende de desbetreffende voorziening binnen een redelijke termijn aan de gemeente schenkt.
Hoofdstuk 5. › Paragraaf 2.
Artikel 37
Bepalingen
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente Renkum 2012