Naar hoofdinhoud

AFDELING II

Artikel 3

Voorschriften

Onderdeel van Parkeerverordening 2012

1. Het bij de aanvang van het parkeren verkregen parkeerkaartje dient achter de voorruit van het motorvoertuig te worden geplaatst. Dit dient zodanig te gebeuren dat de voorzijde van het kaartje duidelijk vanaf de buitenkant van het motorvoertuig is te lezen. 2. wanneer gebruik wordt gemaakt van een zogenaamde persoonlijke “in-voertuig” parkeermeter dient het apparaat, ingesteld op het juiste tarief, tijdvak en maatstaf welke geldt voor de locatie waar het voertuig is geparkeerd, in werking te worden gesteld middels een door of namens de gemeente verstrekte smartcard. Het apparaat dient zodanig in het voertuig te worden aangebracht dat de voorzijde van het apparaat duidelijk vanaf de buitenkant van het voertuig van het motorvoertuig is te zien; 3. Indien de voorschriften in dit artikel niet worden nageleefd, wordt er onbetaald geparkeerd.

Rechtspraak bij dit artikel