Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2:

Artikel 4.

Hoogte van de langdurigheidstoeslag

Onderdeel van VERORDENING LANGDURIGHEIDSTOESLAG 2012

1.. De langdurigheidstoeslag bedraagt per jaar 39% van: a.de norm bedoeld in artikel 20 lid 1 sub b van de wet, vermeerderd met de toeslag genoemd in artikel 25 lid 2 van de wet, voor een alleenstaande; b.de norm bedoeld in artikel 20 lid 2 sub b van de wet, vermeerderd met de toeslag genoemd in artikel 25 lid 2 van de wet, voor een alleenstaande ouder; c.de norm bedoeld in artikel 21 lid 1 van de wet, voor een gezin; zoals deze artikelen gelden op 1 januari van het jaar waarin de peildatum valt. 2.. Voor de toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum bepalend. 3.. Indien één van de gezinsleden op de peildatum is uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13 lid 1 van de wet komen de rechthebbende gezinsleden of het rechthebbende gezinslid in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hen of hem als alleenstaande, alleenstaande ouder of gezin zou gelden. 4.. De bedragen die ontstaan uit de berekening van het eerste lid, worden naar beneden afgerond op hele euro’s.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel