Indien de uitkeringsgerechtigde anderszins blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB dan wel artikel 20 van de IOAW/IOAZ wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.
De maatregel wordt afgestemd op de volgende wijze:
bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,00: 10% van de uitkeringsnorm gedurende een maand;
bij een benadelingsbedrag van € 1.000,00 tot € 2.000,00: 20% van de uitkeringsnorm gedurende een maand;
bij een benadelingsbedrag van € 2.000,00 tot € 4.000,00: 40% van de uitkeringsnorm gedurende een maand;
bij een benadelingsbedrag van € 4.000,00 of meer: 100% van de uitkeringsnorm gedurende minimaal een maand.
Intering vermogen