Onder de term ‘ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.
Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden, die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet. Het gaat hier dan ook om agressief gedrag, gericht tegen de leden van het college en medewerkers van de gemeente die belast zijn met de uitvoering van de wet.
Er is in deze gekozen om niet één specifieke maatregel te noemen. De maatregel is 50% van de uitkeringsnorm bij de eerste gedraging en 100% van de uitkeringsnorm bij de tweede en volgende gedraging. Het agressieve gedrag kan bestaan uit: discriminatie naar geslacht, geloof of ras, dreiging met geweld, verbaal geweld (schreeuwen), intimidatie, sexuele intimidatie, vernieling, stalking, het dragen van wapens of gevaarlijke voorwerpen en alle vormen van fysiek geweld.
Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de politie en eventuele andere ordemaatregelen.
Hoofdstuk 5 Overige bepalingen
Artikel 15 Afwijking van de genoemde percentages
De uitkeringsgerechtigde zal het ontbreken van verwijtbaarheid of eventuele verzachtende omstandigheden aannemelijk moeten maken. Het uitgangspunt hierbij is dat de bewijslast bij de uitkeringsgerechtigde ligt.
Eerste lid
Bij het verlagen van de uitkering dient er een belangenafweging plaats te vinden. Hierbij dient onder meer aan de orde te komen of er zich in de persoon of anderszins omstandigheden voordoen die aanleiding geven om van de bevoegdheid af te zien en een minder hoge verlaging te realiseren, dan wel een hogere verlaging te realiseren. Hierbij kan gedacht worden aan de duur van de gedragingen, de zwaarte en de omvang van de gevolgen. Overigens dient bij dit lid opgemerkt te worden dat het enkele feit dat een klant de Nederlandse taal niet machtig is, op zichzelf nooit een verzachtende omstandigheid kan zijn om af te wijken van de standaardverlaging.
Tweede lid
Op grond van dringende redenen kan worden afgezien van het verlagen van de uitkering. Uitzonderingen moeten mogelijk zijn indien voor de uitkeringsgerechtigde onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Er moet wel iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Bij dringende reden is niet primair of uitsluitend aan financiële redenen gedacht, zoals hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is. Ook immateriële (sociale) omstandigheden kunnen een rol spelen. Gedacht kan worden aan de situatie dat de uitkeringsgerechtigde reeds door samenloop van diverse calamiteiten zodanig in de problemen is geraakt dat het niet verantwoord is om ook nog eens de uitkering te verlagen. Ook kan hierbij gedacht worden aan een net gestarte schuldregeling die door de verlaging van de uitkering kan worden gefrustreerd. Ook wanneer wordt afgezien van het verlagen van de uitkering op grond van een dringende reden moet een gemotiveerd besluit worden genomen, dat wordt vastgelegd in een beschikking en er dient een recidiveregistratie plaats te vinden.
Artikel 16 Recidive en samenloop van gedragingen
1. Indien er binnen een jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van herhaald verwijtbaar gedrag, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Een verwijtbare gedraging is de gedraging waarbij een verlaging heeft plaatsgevonden, de gedraging waarbij een waarschuwing is gegeven, dan wel de gedraging waarbij op grond van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde of wegens dringende reden geen verlaging plaatsvindt.
2. Dit artikel ziet op verschillende gedragingen van een uitkeringsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig plaatsvinden. Als hier sprake van is wordt bij het opleggen van een maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is.
Ook als sprake is van verwijtbare gedragingen door verschillende gezinsleden, in geval van een gezinsuitkering, wordt in het algemeen alleen een verlaging uit de hoogste categorie getroffen.
Artikel 17 Volharding en heroverweging
Wanneer de uitkeringsgerechtigde volhardt in zijn verwijtbare gedragingen dan kan er een verlaging van de uitkering plaatsvinden die langer duurt dan drie maanden. Er zal dan telkens binnen drie maanden een heroverweging van de verlaging plaats dienen te vinden. Bij deze heroverweging hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen en alle feiten en omstandigheden hoeven niet opnieuw beoordeeld te worden. Een marginale beoordeling volstaat. Er dient slechts beoordeeld te worden of het redelijk is om de vastgestelde verlaging te continueren. Hierbij dient allereerst gekeken te worden of de uitkeringsgerechtigde thans wel aan zijn verplichtingen voldoet. Wanneer dit het geval is kan besloten worden om af te zien van continuering van de verlaging van de uitkering. Wanneer de uitkeringsgerechtigde nog steeds niet voldoet aan zijn verplichtingen dan zal alsnog gekeken dienen te worden naar de omstandigheden waarin de uitkeringsgerechtigde verkeert. In een dergelijke situatie kan ook overwogen worden om het percentage waarmee de uitkering verlaagd wordt te verhogen, omdat de reeds toegepaste verlaging kennelijk niet het gewenst effect heeft.
Zoals al eerder genoemd kan de heroverweging ook leiden tot een herziening van de periode van de verlaging. Dit dient dan op verzoek van de uitkeringsgerechtigde te geschieden. De verlaging kan dan heroverwogen worden omdat het gedrag van uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk veranderd is. Dit kan dan resulteren in een beëindiging of matiging van de verlaging. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen indien er een verlaging is opgelegd naar aanleiding van het meerdere keren niet voldoende solliciteren. In casu recidive, dus verlaging 10% van de norm gedurende twee maanden. Uitkeringsgerechtigde komt na twee weken na ontvangst van het besluit bij de gemeente om aan te geven dat zijn gedrag veranderd is en laat aantoonbare en verifieerbare sollicitaties zien.
De verlaging wordt dan heroverwogen omdat het gedrag van de uitkeringsgerechtigde zichtbaar veranderd is. Dit kan dan resulteren in een beëindiging van de verlaging.