Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Toeslagen voor alleenstaanden en alleenstaande ouders

Onderdeel van Toeslagenverordening (4.5a)

De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de WWB bedraagt 20 procent van degezinsnorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft en die derhalve de noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen. Er wordt geen toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de WWB verleend voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft en die derhalve de noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft: kinderen van 18 jaar en ouder, die niet tot het gezin behoren, met een inkomen niet hoger dan het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000; een bloedverwant in de eerste graad waarbij toepassing wordt gegeven aan artikel 4, lid 5, van de wet vanwege zorg tussen de bloedverwant en een van de resterende leden van het gezin; een bloedverwant in de tweede graad waarbij sprake is van zorg als bedoeld in artikel 4, lid 5, van de wet tussen deze bloedverwant en een van de resterende leden van het gezin.; asielzoekers met een verstrekking als bedoeld in artikel 3 van de Regeling toekenning bevoegdheid aan COA tot uitsluiting bepaalde categorieën asielzoekers van verstrekkingen Rva 1997. Verlaging gezinsnorm

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel