Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7.

Artikel 35

Intrekking en beëindiging besluit verstrekking voorziening

Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Venray 2011

1.. Het college van burgemeester en wethouders kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien: niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening; op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen; de aanvrager niet dan wel onvoldoende de eigen verantwoordelijkheid heeft genomen ten aanzien van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren; indien blijkt dat gedurende een periode van meer dan zes maanden geen gebruik is gemaakt van de verstrekte voorziening blijkt dat het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming niet of niet geheel voor de geïndiceerde voorziening en de daarmee samenhangende kosten is gebruikt. 2.. Onverminderd de gronden voor intrekking genoemd in het eerste lid, wordt het besluit tot toekenning van een persoonsgebonden budget ingetrokken of gewijzigd met ingang van de dag waarop de budgethouder schriftelijk heeft aangegeven geen prijs meer te stellen op het budget. 3.. Bij overlijden van de budgethouder eindigt het recht op het persoonsgebonden budget uiterlijk twee weken gelegen na de dag waarop de budgethouder overlijdt. 4.. Bij overlijden van de rechthebbende eindigt het recht op de periodieke financiële tegemoetkoming op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de rechthebbende is overleden. 5.. Een besluit tot toekenning van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de toekenning heeft plaatsgevonden.

Rechtspraak bij dit artikel