Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 4.

Openbaar vervoer

Onderdeel van Dienstreizenvergoedingsregeling

Voor het maken van dienstreizen dient in de regel gebruik gemaakt te worden van het openbaar vervoer. Alleen als een dienstreis niet of niet op doelmatige wijze per openbaar vervoer kan worden ondernomen, kan aan de belanghebbende toestemming worden verleend voor de dienstreis gebruik te maken van een eigen vervoermiddel. Indien een dienstreis op doelmatige wijze per openbaar vervoer kan worden ondernomen, kan, als de belanghebbende hieraan de voorkeur geeft, toestemming worden verleend de dienstreis per eigen motorvoertuig of bromfiets te ondernemen. De in het tweede en derde lid bedoelde toestemming wordt: aan het hoofd van de dienst verleend door burgemeester en wethouders; aan de overige ambtenaren verleend door het betreffende hoofd van de dienst c.q. afdelingschef.

Rechtspraak bij dit artikel