**1..** De toeslag als bedoeld in artikel 25 van de wet bedraagt:
**a..** 20% van de gezinsnorm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft en die de aan deze woning verbonden kosten niet kan delen;
**b..** 10% van de gezinsnorm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder die als kostganger of (onder)huurder met een of meer anderen, niet zijnde diens ouders of meerderjarige kinderen of stiefkinderen, dezelfde woning bewoont;
**c..** 5% van de gezinsnorm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder die als hoofdbewoner met een of meer anderen, niet zijnde diens ouders of meerderjarige kinderen of stiefkinderen, al dan niet als kostgever of (onder)verhuurder dezelfde woning bewoont en met hen de woonkosten kan delen;
**d..** 5% van de gezinsnorm voor de dakloze die gebruik maakt van de binnen de gemeente aanwezige voorzieningen voor nachtopvang;
**e..** 0% indien artikel 24 van de wet van toepassing is.
**2..** In afwijking van het eerste lid, onderdelen a. en b., stelt het college, met toepassing van artikel 27 van de wet, de toeslag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder van 23 jaar of ouder vast op 5% van de gezinsnorm als deze een woning bewoont waaraan geen woonkosten zijn verbonden of waarvan de woonkosten minder bedragen dan 10% van de gezinsnorm, dan wel niet aantoonbaar zijn.
**3..** In afwijking van het eerste lid, onderdelen a., b. en c., stelt het college, met toepassing van artikel 29 van de wet, de toeslag voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar vast op 5% van de gezinsnorm als hij een woning bewoont waaraan woonkosten zijn verbonden die hij niet kan delen en op 0% als hij een woning bewoont waaraan geen woonkosten zijn verbonden, dan wel waarvan hij de woonkosten kan delen of niet kan aantonen.
Hoofdstuk
Artikel 3