Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid van deze verordening wordt de maatregel vastgesteld op:
5% van de bijstandsnorm of grondslag IOAW/IOAZ, gedurende een maand, bij een gedraging van de eerste categorie;
10% van de bijstandsnorm of grondslag IOAW/IOAZ, gedurende een maand, bij een gedraging van de tweede categorie;
20% van de bijstandsnorm of grondslag IOAW/IOAZ, gedurende een maand, bij een gedraging van de derde categorie;
100% van de bijstandsnorm of de grondslag IOAW/IOAZ, gedurende een maand, bij een gedraging van de vierde categorie, met dien verstande dat bij het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid van geringe omvang de hoogte van de maatregel wordt vastgesteld naar de mate waarin de belanghebbende inkomen zou hebben kunnen verwerven of heeft verloren.
Het college ziet af van het opleggen van de maatregel wegens een gedraging van de eerste categorie en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij in de afgelopen twee jaar al eerder een schriftelijke waarschuwing is gegeven voor deze gedraging.
De hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid sub a tot en met c wordt verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is toegepast, opnieuw schuldig maakt aan een gedraging uit dezelfde categorie.
Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit opnieuw schuldig maakt aan een gedraging waaraan een maatregel was verbonden als bedoeld in het eerste lid sub d, wordt de duur van de maatregel verdubbeld.
In aanvulling op het derde en vierde lid wordt bij herhaalde voortzetting van het maatregelwaardige gedrag, de maatregel opgelegd voor de duur van dit gedrag.
Artikel 9
Hoogte en duur van de maatregel
Onderdeel van Maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Renkum 2012