1.
De belasting, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2.
Met betrekking tot de belasting, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, is de belasting indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor de belasting in de loop van het belastingjaar aanvangt verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3.
Met betrekking tot de belasting, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, bestaat aanspraak op ontheffing, indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor de belasting in de loop van het belastingjaar eindigt, voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4.
Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en daar een ander perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, in gebruik neemt.
5.
De belasting, zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, is verschuldigd aan het eind van het belastingjaar.
6.
De belasting, zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, is verschuldigd na afloop van genoemd gebruik of – indien dat eerder is – aan het eind van het belastingjaar.