Het onderhoud van de graven en de grafbedekking geschiedt door de gemeente tegen betaling door de rechthebbende van het daarvoor volgens de verordening op de heffing en invordering van rechten voor de begraafplaats verschuldigde bedrag. Na het sluiten van de begraafplaats is de gemeente niet gehouden dit onderhoud voort te zetten.
Onder onderhoud wordt verstaan het schoonhouden van de grafbedekking voor zover hiervoor vergunning is verleend en het in ordelijke staat en onkruid vrij houden van het graf, voor zover hierdoor naar het oordeel van burgemeester en wethouders het karakter van de begraafplaats niet wordt aangetast.
Onder onderhoud van de grafbedekking wordt niet het herstel of de vernieuwing daarvan begrepen en ook niet het schoonhouden van daarop geplaatste losse voorwerpen.
Bij nalatigheid ten aanzien van de noodzakelijke vernieuwing of herstelling dan wel bij nalatigheid in de betaling van het verschuldigde onderhoudsrecht kan, na aanschrijving door burgemeester en wethouders, de grafbedekking door de gemeente worden weggenomen.
Als het in het eerste lid van dit artikel bedoelde bedrag binnen twee jaar na de vervaldag niet invorderbaar blijkt vervalt het uitsluitend recht genoemd in artikel 10, tweede lid, voor het desbetreffende graf tenzij de rechthebbende zijn bewijs van onvermogen kan tonen, afgegeven door de burgemeester van zijn woonplaats.
Voor de toepassing van dit artikel wordt de geldigheidsduur van het in het vorige lid bedoelde bewijs van onvermogen beperkt tot het kalenderjaar, waarin het is afgegeven.