1. Na het overleggen van de bewijsstukken, waaruit blijkt dat kosten zijn gemaakt voor de in artikel 3 vermelde activiteiten, vindt betaling van de bijstand plaats.
2. Indien het college vaststelt dat voor de activiteiten minder kosten zijn gemaakt dan de bedragen, genoemd in artikel 5, eerste lid, wordt de bijstand op dit lagere bedrag vastgesteld, tenzij de aanvrager aantoonbaar kosten heeft gemaakt voor bij de activiteit behorende kleding of benodigde materialen. In dat geval wordt de bijstand vastgesteld op de som van de gemaakte kosten, maar ten hoogste op de bedragen, genoemd in artikel 5, eerste lid.
3. Betaling van bijstand op een andere bankrekening dan die van de aanvrager, is niet mogelijk, met uitzondering van bijstand voor:
a. de ouderbijdrage voor schoolgaande kinderen en schoolwerkweken;
b. vakantieweken van een (sport)vereniging.
4. De bijstand bedoeld in het derde lid, onderdeel a, kan direct betaalbaar worden gesteld aan de onderwijsinstelling die een bijdrage van de aanvrager ten behoeve van zijn kinderen verzoekt.
5. De bijstand, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, kan direct betaalbaar worden gesteld aan de (sport)vereniging die een bijdrage van de aanvrager ten behoeve van zijn kinderen verzoekt.