Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7.

Artikel 16.

Overige verplichtingen van de instelling met betrekking tot subsidie

Onderdeel van Subsidieverordening gemeente Dongen 2012

1.. De instelling doet onverwijld schriftelijk melding aan het college zodra: aannemelijk is dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, niet of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen zal worden voldaan. er aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en inkomsten en de begrote uitgaven en inkomsten, onder vermelding van de oorzaak van de verschillen. er relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden plaatsvinden. er een wijziging van de statuten voornemens is, voor zover het betreft de vorm van de rechtspersoon, de persoon van de bestuurder(s) en het doel van de rechtspersoon of indien men over wil gaan tot ontbinding van de rechtspersoon. 2.. Het verlenen van subsidie vindt slechts plaats voor zover dit past binnen de door de gemeente geformuleerde beleidsdoelstellingen zoals aangegeven in het programma en/of de daaraan gerelateerde beleidsnota’s. 3.. Een instelling dient er zorg voor te dragen dat de uit te voeren werkzaamheden en activiteiten voldoen aan de kwaliteitswetgeving en beroepsnormen. 4.. Een instelling dient waar mogelijk de activiteiten af te stemmen op die van soortgelijke instellingen en met andere instellingen samen te werken indien het college daarvoor aanwijzingen geeft. 5.. De instelling verricht de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend. 6.. De instelling behoeft de toestemming van het college voor handelingen als vermeld in artikel 4:71 Algemene wet bestuursrecht. Het college beslist binnen 13 weken na ontvangst van een verzoek van de instelling over te geven toestemming. De beslissing kan eenmaal met ten hoogste vier weken worden verdaagd. Als over de toestemming niet tijdig is beslist wordt de toestemming geacht te zijn geweigerd. 7.. Het college kan een instelling verplichtingen opleggen met betrekking tot: De wijze waarop de administratie en jaarstukken zijn ingericht; De kwaliteit en de effectiviteit van de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend; De kwaliteit van het personeel en van de ruimtelijke voorzieningen; De omvang en de aard van de eigen inkomsten en van die van aan de instelling gelieerde instelling of instellingen; De rapportage ten behoeve van de vaststelling. 8.. De instelling dient zich deugdelijk verzekerd te hebben tegen risico’s. 9.. De instelling verleent, op verzoek, aan het college of aan door of namens hem aangewezen personen te allen tijde inzage in de administratie en verstrekt de inlichtingen die voor de beoordeling van de besteding van de subsidie van belang kunnen zijn. 10.. Indien door of namens de rijksoverheid na overleg met het college of door of namens het college onderzoekingen in relatie tot de verstrekte subsidie op het terrein van het welzijn worden ingesteld, verleent een instelling op verzoek van het college daaraan de nodige medewerking.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel