Geen havengeld wordt geheven terzake van:
rijksvaartuigen, uitsluitend bestemd voor de openbare
dienst;
gemeentevaartuigen;
hospitaalschepen en oorlogsschepen;
vaartuigen, waarvan de schippers aantonen dat zij wegens
ernstige familieomstandigheden of om redenen van overmacht van
de haven gebruik moeten maken, mits niet wordt geladen en/of
gelost;
bij vaartuigen behorende roeiboten;
vaartuigen die ten gevolge van ijsgang of weersgesteldheden
gedwongen zijn langer dan veertien achtereenvolgende dagen in de
haven te verblijven;
woonschepen, gedurende de eerste veertien al dan niet
achtereenvolgende dagen per kalenderjaar;
pleziervaartuigen die zich direct varende van de monding van het
kanaal naar het gedeelte van de jachthaven begeven dat in
erfpacht is uitgegeven;
vaartuigen, waarvoor niet langer dan twee achtereenvolgende uren
gebruik wordt gemaakt van een speciaal daartoe door de
havenmeester aan te wijzen ligplaats, mits deze uitsluitend
wordt benut om in de gemeente inkopen te doen of zaken te
behandelen, daaronder niet begrepen het laden of lossen van
goederen en/of het in- en ontschepen van passagiers, behoudens
die, behorende tot het gezin van de schipper of diens
bemanning;
vaartuigen, bestemd of geschikt voor de wedstrijdsport of voor
roeionderricht, voorzover de retributieplichtige ten minste vijf
vaartuigen in de haven in gebruik heeft. Het aantal bij de
watersportverenigingen in gebruik zijnde boten wordt bepaald op
de helft van het aantal boten, opgeslagen in de bij de
vereniging in gebruik zijnde stallingsruimte(n) op de wal.
HOOFDSTUK II
Artikel 12
– Vrijstellingen
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van de scheepvaartrechten 2012