De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien:
De noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;
De persoon met beperkingen, voor wie op basis van voorzienbare toekomstige beperkingen een woningaanpassing te verwachten was, is verhuisd naar een woning die niet is afgestemd op de beperking, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;
Deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan:
automatische deuropeners
hellingbanen
extra trapleuningen
opstelplaatsen voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het hoofdgebouw
het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren
het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.10
Uitzonderingen
Onderdeel van Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk