Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 4

Vrijstellingen

Onderdeel van Verordening Hondenbelasting 2012

Uit een oogmerk van billijkheid en/of praktische uitvoerbaarheid van de Hondenbelasting is in de verordening een aantal objectieve vrijstellingen opgenomen. De in dit artikel opgenomen vrijstellingen zijn facultatief. De gemeente is binnen de grenzen van het gelijkheidsbeginsel derhalve vrij om naar eigen inzicht de vrijstellingen uit te breiden of in te beperken. In de onderdelen a en b zijn vrijstellingen opgenomen voor blindengeleidehonden en geleidehonden voor gehandicapten. Ten opzichte van de verordening hondenbelasting van vóór 2012 is de vrijstelling voor geleidehonden voor gehandicapten niet langer beperkt tot honden die door de stichting Hulphond Nederland ter beschikking zijn gesteld. Dit omdat gebleken is dat er meerdere instanties zijn die honden vergelijkbaar opleiden en ter beschikking stellen. Een beperking van de vrijstelling tot honden van alleen de stichting Hulphond Nederland levert mogelijk strijd op met het gelijkheidsbeginsel. De term ‘in hoofdzaak’ betekent in de fiscaliteit: 70% of meer en is aan de desbetreffende vrijstellingsbepalingen toegevoegd om te benadrukken dat het in hoofdzaak moet gaan om hulphonden. Aan de andere kant is het onredelijk te verwachten dat hulphonden niet ook als gezelschapsdier mogen fungeren. Om die reden is de vroeger in de verordening voorkomende term ‘uitsluitend’ vervangen door ‘in hoofdzaak’. In de onderdelen c en d zijn vrijstellingen opgenomen voor honden in een asiel of voor honden die bedrijfsmatig voor verkoop worden aangehouden. Zowel voor het bedrijfsmatig uitoefenen van een asiel als het bedrijfsmatig verhandelen van honden stelt het Honden- en kattenbesluit 1999 nadere regels. Deze regels komen erop neer dat deze bedrijfsmatige activiteiten alleen kunnen worden verricht indien rekening wordt gehouden met de nadere regels voor het houden en verzorgen van dieren. In dat kader wordt door de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een centraal register aangehouden waarin de aanmeldingen van dergelijke bedrijven worden vermeld. Tevens verstrekt de minister aan deze bedrijven een aanmeldingsbewijs waarin onder andere de N.A.W.-gegevens van de aanmelder, het tijdstip van aanmelding van de bedrijfsinrichting, het asiel of pension, en het registratienummer van de inrichting zijn vermeld. Een beroep op de vrijstellingen kan derhalve worden getoetst aan de inschrijving in het centraal register. Het Honden- en kattenbesluit 1999 verstaat onder asiel: een perceelsgebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden of katten die zwervend zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan Daaronder valt niet een pension. Een pension is een perceelsgebonden ruimte of ruimtes, niet zijnde een asiel, bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden of katten. Het staat gemeenten overigens wel vrij pensions buiten de heffing te laten, maar daar moet dan een aparte vrijstellingsbepaling voor worden opgenomen in de verordening. In onderdeel e is een vrijstelling opgenomen voor jonge honden die tezamen met de moederhond worden gehouden.

Rechtspraak bij dit artikel