Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 7:

Artikel 7.4

Kosten en aftrekposten op inkomen voor recht op vervoersvoorziening

Onderdeel van Besluit nadere regels Wmo 2012

Lid 1 Op grond van het eerste lid dienen de extra kosten die de persoon moet maken als gevolg van zijn handicap bij de vaststelling van zijn inkomen ter bepaling van het recht op een vervoersvoorziening als genoemd in artikel 7.3 lid 5 van de verordening, op het inkomen in mindering gebracht te worden voorzover deze kosten niet op grond van andere regelingen worden vergoed. Bij de vaststelling van het recht op genoemde vervoersvoorzieningen geldt een inkomensgrens. Bij het toetsen van het inkomen van de persoon aan een inkomensgrens mag volgens vaste rechtspraak van de CRvB niet elke ruimte ontbreken om in bijzondere omstandigheden rekening te houden met als gevolg van de handicap op het besteedbare inkomen drukkende kosten. Vergelijk bijvoorbeeld CRvB, 07-11-1997, AB 1998/118 en CRvB 12-12-2000 nr. 00/4096 Wvg. Artikel 3 geeft invulling aan deze regel uit de jurisprudentie. Lid 3 Het derde lid bepaalt dat er geen rekening wordt gehouden met de extra kosten in verband met de beperking indien het inkomen lager is dan het norminkomen (1,5 maal de toepasselijke bijstandsnorm). Deze bepaling heeft vooral betekenis voor de uitvoering. Gelet op het gemeentelijk beleid bestaat er voor de persoon met een inkomen beneden het norminkomen bij indicatie recht op alle Wmo-voorzieningen. Het is dan niet meer nodig om de extra kosten in verband met de handicap in mindering te brengen op het inkomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel