Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen.
Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
indien:
a) de vereiste spoed zich daartegen verzet;
b) de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of
omstandigheden hebben voorgedaan;
c) de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college
of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 7, lid 4
WWB werkzaamheden heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de WWB;
d) het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de
ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.
Hoofdstuk 4.
Artikel 7
Horen van belanghebbende
Onderdeel van Verordening Afstemmingsbeleid WWB 2012