De verlaging wordt, voor zover mogelijk, in principe opgelegd
met ingang van de kalendermaand waarin de verwijtbare gedraging
is geconstateerd. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
geldende bijstand.
Indien de verlaging niet conform het eerste lid kan plaatsvinden
wordt de verlaging opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend
op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging aan de
belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die
maand geldende bijstand.
Indien oplegging van de verlaging niet conform het eerste en het
tweede lid kan plaatsvinden kan de verlaging met terugwerkende kracht
met toepassing van artikel 54, lid 3, sub b WWB worden opgelegd, voor
zover het verwijtbaar gedrag, dat tot de verlaging heeft geleid, in deze
periode heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die
maand(en) geldende bijstand. Dit artikel is niet van toepassing op de
verlaging als genoemd in artikel 4, lid 1, sub e van deze
verordening.