Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 4

Vrijstellingen

Onderdeel van Verordening Precariobelasting 2012

In dit artikel zijn vrijstellingen opgenomen. In de praktijk kunnen meer vrijstellingen voor. Het opnemen van vrijstellingen is afhankelijk van het gemeentelijk beleid . Het mag echter niet zo zijn dat het opnemen van vrijstellingen leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing, die de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid tot het heffen van Precaribelasting niet kan hebben bedoeld. Op enkele afzonderlijke vrijstellingen zal hieronder nog nader worden ingegaan. Onderdeel a De in dit onderdeel opgenomen vrijstelling is uit doelmatigheidsoverwegingen opgenomen. Onderdeel b De in dit onderdeel opgenomen vrijstelling ziet op de gevallen waarin de gemeente rechtens niet bevoegd is het hebben van voorwerpen te verbieden. In die gevallen kan de gemeente geen Precaribelasting heffen. Verwijzen wordt naar de toelichting op artikel 2. Onderdeel c In de praktijk komen verschillende vormen van vergoedingen voor, die verband houden met het gebruik van gemeentelijke eigendommen. Zo kunnen gebruiksretributies worden gevorderd voor het gebruik overeenkomstig de bestemming van gemeentebezittingen. Indien dat gebruik het hebben van voorwerpen omvat, zou tevens Precariobelasting kunnen worden geheven. Voor het heffen van Precariobelasting is overigens niet vereist dat het gebruik 'overeenkomstig de bestemming' plaatsvindt. Voorts worden soms privaatrechtelijke vergoedingen bedongen in verband met het gebruik van gemeentegrond. Deze vergoedingen (recognities) zijn geen gebruiksvergoeding, maar moet worden gezien als een erkenning van het eigendomsrecht van de gemeente (Hof 's-Gravenhage 12 oktober 1994, nr. 920986, Belastingblad 1995, blz. 3; Hof Amsterdam 6 maart 2002, nr. 01/00964, Belastingblad 2002, blz. 656 (Amsterdam)). De in dit onderdeel opgenomen vrijstelling dient om cumulatie van Precariobelasting en gebruiksretributies of privaatrechtelijke vergoedingen te voorkomen. Deze vrijstelling is niet verplicht. Het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst gemeentebezittingen is een ander belastbaar feit dan het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Zie voor een voorbeeld van het naast elkaar bestaan van een Precariobelasting en een gebruiksretributie: Hof Leeuwarden 16 juni 2000, nr. 160/99, Belastingblad 2001, blz. 1140 (Groningen). De gemeente Groningen hief onder de naam 'Precariobelasting woonschepen' een belasting en rechten ter zake van het hebben van een woonschip op gemeentegrond, alsmede ter zake van het gebruik van openbaar water met een woonschip. Er was geen sprake van een ongeoorloofde cumulatie van heffingen.Wij gaan er in het bovenstaande voorshands van uit dat het de gemeenten vrijstaat om in plaats van een precariobelasting, dat wil zeggen een publiekrechtelijke heffing, een privaatrechtelijke vergoeding te vragen voor het hebben van voorwerpen. Wij achten het zgn. Windmill-arrest (Hoge Raad 26 januari 1990, nr. 13724, BNB 1990/162, waarin de Hoge Raad oordeelt dat een privaatrechtelijk handelen van de overheid niet een publiekrechtelijke regeling op onaanvaardbare wijze mag doorkruisen, niet van toepassing. Een dergelijke opvatting is met betrekking tot retributies ook te vinden in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de gewijzigde materiële belastingbepalingen met ingang van 1 januari 1995 (Kamerstukken II 1989/90, 21591, nr. 3, blz. 79).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel