Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
niet nader worden omschre¬ven hebben dezelfde betekenis als
beschreven in de Wet werk en bijstand en in de Algemene wet
bestuursrecht.
In deze verordening wordt verstaan onder:
de wet: de Wet werk en bijstand;
gezinsnorm: de norm, genoemd in artikel 21, eerste lid,
van de wet;
zorgbehoevend gezinslid: de belanghebbende, bedoeld in
artikel 4, vijfde lid, van de wet;
zorgbehoevend niet-gezinslid: de belanghebbende die
voldoet aan het gestelde in artikel 4, vijfde lid, van
de wet, waarbij geen sprake is van eerstegraads bloed-
of aanverwantschap tussen verzorger en verzorgende;
woonlasten:
indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van
het lopende huurtoeslagtijdvak per maand geldende huurprijs als
bedoeld in de Wet op de huurtoeslag;
indien een eigen woning wordt bewoond, de hypotheeklasten
verbonden aan de woning waarin de belanghebbende zijn
hoofdverblijf heeft;
ontbreken van woonlasten: van het ontbreken van woonlasten is
sprake als er
geen kosten van huur of hypotheek zijn verbonden aan de woning waarin
de
belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft;
4.woonlasten voldaan door derden: hiervan is sprake als kosten van huur
of hypotheek
worden voldaan door derden;
schoolverlater: de belanghebbende zoals beschreven in artikel 28
van de wet;
medebewoner: de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens
woning ook een
ander zijn hoofdverblijf heeft, niet zijnde een eerstegraads
bloedverwant of
aanverwant en niet zijnde een ander waarmee een gezamenlijke
huishouding wordt
gevoerd;
h.college: het college van burgemeester en wethouders.