**1..** Voor de belanghebbende in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf
heeft, niet zijnde een eerstegraads bloedverwant of aanverwant en
niet zijnde een ander waarmee een gezamenlijke huishouding wordt
gevoerd, wordt de norm genoemd in artikel 20 eerste lid onderdeel b,
en tweede lid, onderdeel b van de wet verhoogd met 20 procent van de
gezinsnorm, wanneer de door belanghebbende te betalen woonlasten
meer bedragen dan 18 procent van de gezinsnorm;
**2..** Voor de belanghebbende in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf
heeft, niet zijnde een eerstegraads bloedverwant of aanverwant en
niet zijnde een ander waarmee een gezamenlijke huishouding wordt
gevoerd, wordt de norm genoemd in artikel 20 eerste lid onderdeel b,
en tweede lid, onderdeel b van de wet verhoogd met 10 procent van de
gezinsnorm, wanneer de door belanghebbende te betalen woonlasten
minder bedragen dan 18 procent van de gezinsnorm.