Naar hoofdinhoud
In artikel 3 wordt aangegeven in welke gevallen het wenselijk is om besluitvorming te coördineren. Elk lid wordt afgesloten met het woordje “en” om duidelijk te maken dat de coördinatieregeling alleen toegepast mag worden als aan alle in dit artikel gestelde voorwaarden is voldaan. Lid a vormt de basis van de coördinatieverordening: coördinatie op grond van de coördinatieverordening is alleen mogelijk als tenminste ook een besluit over een bestemmingsplan, een uitwerkingsplan, wijzigingsplan of een projectomgevingsvergunning van de gecoördineerde voorbereiding deel uitmaakt. Lid b houdt in dat als aan de voorwaarde van lid a voldaan is er meer besluiten in de gecoördineerde voorbereiding moeten meedoen. Het college van burgemeester en wethouders is het coördinerende orgaan dat controleert of aan de wettelijke voorwaarden en aan de voorwaarden van de verordening voldaan is. Lid c moet ruim geïnterpreteerd worden. Het gaat hier niet alleen om de vaststelling dat aan de eisen is voldaan, maar het college van burgemeester en wethouders bekijkt ook of aan de procedure-eisen is voldaan. Het college kan ook afzien van coördinatie. Uit artikel 3.31 Wro blijkt namelijk dat het college niet verplicht is om de coördinatieregeling toe te passen. Een ruime uitleg van lid c kan er niet toe leiden dat het college gevallen coördineert die niet onder de verordening vallen of waartoe de raad niet expliciet heeft besloten. De wet staat delegatie van de raadsbevoegdheid om te besluiten dat gecoördineerde besluitvorming wenselijk is, niet toe. Op grond van lid d stelt het college van burgemeester en wethouders vast of artikel 4 geen belemmering vormt voor het toepassen van de coördinatieregeling. Dit lid d moet beperkt uitgelegd worden: als er één belemmering is, dan is gecoördineerde besluitvorming niet mogelijk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel