Bij aanstelling of tewerkstelling van een ambtenaar wordt het salaris vastgesteld op het minimumbedrag van de voor hem geldende salarisschaal, zulks voor zover hij niet is ingedeeld in staat B, in welk geval hem het met zijn functie corresponderend bedrag wordt verleend.
In bijzondere gevallen – dit ter hunner beoordeling – kan het college de ambtenaar bij aanstelling één of meer periodieke verhogingen boven het minimum van de voor hem geldende salarisschaal toekennen.