Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 6:2:1:1

Vakantie

Onderdeel van CAR/UWO

De duur van de vakantie is afhankelijk van de bezoldiging op de wijze als aangegeven in lid 2. Voor de toepassing van dit artikel worden de toelagen c.q. vergoedingen, als bedoeld in de artikelen 3:1:2:2, 3:3:1:2 AVR, artikel 1 en 5 Regeling wacht- en storingsdiensten niet als bezoldiging aangemerkt. Indien de bezoldiging lager is dan het maximum-salaris van schaal 9 van staat A, bedraagt de duur van de vakantie 158,4 uren per kalenderjaar; indien de bezoldiging gelijk is aan of hoger dan vorenbedoeld maximum-salaris, bedraagt de duur van de vakantie 165,6 uren per kalenderjaar. Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid geldt als maatstaf de bezoldiging welke de ambtenaar op 1 januari van het kalenderjaar geniet of, in geval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, de bezoldiging op het tijdstip van indiensttreding. De volgens lid 2 vastgestelde duur van de vakantie wordt verhoogd, afhankelijk van de leeftijd, die de ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, overeenkomstig de hierna volgende tabel: leeftijd : verhoging : 18 jaar en jonger 21,6 uur 19 jaar 14,4 uur 20 jaar 7,2 uur van 30 tot en met 39 jaar 7,2 uur van 40 tot en met 44 jaar 14,4 uur van 45 tot en met 49 jaar 21,6 uur van 50 tot en met 54 jaar 28,8 uur van 55 tot en met 59 jaar 36 uur 60 jaar en ouder 43,2 uur De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd. In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere regels vast. In afwijking van het gestelde in artikel 6:2 wordt, met ingang van de dag waarop de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar op grond van artikel 5:1 of 5:3 wordt teruggebracht, de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd en vervalt het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in het vierde lid van dit artikel. Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in het vierde lid van dit artikel vervalt met ingang van de dag waarop de ambtenaar gebruikmaakt van de FPU Gemeenten als omschreven in hoofdstuk 5a.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel