Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 8:16:3:1

Ontslagverlening

Onderdeel van CAR/UWO

Bij vermissing van de ambtenaar vinden, behoudens het bepaalde in het tweede lid, de bepalingen van artikel 8:16:2 overeenkomstige toepassing. De ambtenaar wordt daarbij geacht te zijn overleden op een door het college te bepalen dag. Het bepaalde in het tweede lid van artikel 8:16:2 vindt geen toepassing, indien gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg is van ongeoorloofde afwezigheid. Indien blijkt dat de als vermist beschouwde ambtenaar in leven is, kan ter beoordeling van het college de bezoldiging alsnog worden uitbetaald, tenzij gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg was van ongeoorloofde afwezigheid. Indien uit hoofde van de vermissing van de ambtenaar pensioen of enige andere uitkering, voortvloeiende uit zijn ambtelijke rechtspositieregeling, is toegekend over het tijdvak, waarover naar het oordeel van het college aanspraak bestaat op bezoldiging, wordt die bezoldiging verminderd met de over dat tijdvak aldus uitbetaalde bedragen. De bezoldiging waarop de ambtenaar ingevolge het derde en vierde lid aanspraak heeft, kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitbetaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel