Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Afdeling 11.

Artikel 2:57

Loslopende honden

Onderdeel van ALGEMENE plaatselijke verordening 2010

1.. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; b.. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; c.. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt, mits de hond onder appél staat. Onder “onder appèl” staan wordt in dit verband verstaan: de hond reageert op het eerste bevel van de eigenaar of houder overeenkomstig de inhoud van het gegeven bevel. 3.. De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleide- dan wel hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.

Rechtspraak bij dit artikel