Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II

Artikel 13c

Eenmalige uitkering bij overlijden

Onderdeel van Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden Maassluis 2012 (2011-43)

1. In geval van overlijden van het raadslid wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie het overleden raadslid niet duurzaam gescheiden leefde een eenmalig bedrag uitgekeerd. Dit bedrag is gelijk aan de feitelijke vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid, als bedoeld in artikel 2, welke het raadslid laatstelijk genoot over een tijdvak van drie maanden. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar van wie het overleden raadslid niet duurzaam gescheiden leefde nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid. 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede degene met wie het overleden raadslid ongehuwd samenleefde en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel