Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 18

Toelage onregelmatige dienst

Onderdeel van Bezoldigingsregeling gemeente Bunschoten

Aan de ambtenaar voor wie een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan dat van schaal 11 en voor wie de werktijden zijn vastgesteld conform in artikel 3:3 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Bunschoten wordt een toelage toegekend op grond van artikel 3:3 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Bunschoten De toelage als bedoeld in het eerste lid bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel: 20 % voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6.00 en 8.00 uur en tussen 18.00 en 22.00 uur; 40 % voor de uren op maandag tot en met zaterdag tussen 0.00 en 6.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur; 45% voor de uren op zaterdag tussen 6.00 en 22.00 uur; 70 % voor de uren op zondag 100 % voor de uren op de feestdagen genoemd in artikel 4:2:1, derde lid van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Bunschoten met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris horende bij schaal 7 van tabel IIa Voor de in het vorige lid onder a genoemde morgen en avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is aangevangen vóór 7 uur, respectievelijk is beëindigd na 18 uur. In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen die het bepaalde in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt. Voor het bepaalde in hoofdstuk 7 van de CAR/UWO worden de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3, de overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning slechts geacht te behoren tot de bezoldiging tot een bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de drie kalendermaanden of in de dertien kalenderweken, voorafgaande aan de datum waarop de verhindering tot het vervullen van de betrekking is ontstaan, gemiddeld per maand of per week is toegekend aan die vergoeding of beloning, al naar gelang de bezoldiging van de ambtenaar per maand op per week wordt uitbetaald. Voor zover de ambtenaar op hierboven bedoelde datum minder dan drie kalendermaanden of dertien kalenderweken zijn betrekking heeft vervuld, wordt gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld per maand of per week is toegekend over het tijdvak waarin hij voor het ontstaan van de verhindering in dienst is geweest.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel